|
De Geschiedenis van
het Noord- Nederlandse Bataljon Infanterie van Linie nr. 2
Het
ontstaan
In 1812 werd de Grande Armée vernietigd tijdens de Russische Veldtocht.
De Bevrijdingsoorlogen begonnen om de Fransen te verdrijven. Op 16-18
oktober 1813 werd Napoleon verslagen in de Volkerenslag bij Leipzig.
Veel bondgenoten van Napoleon kozen de zijde van de Geallieerden.
Napoleon trok zijn legers terug en liet garnizoenen achter in
verschillende grote steden. Ook in Nederland trokken de Franse troepen
zich terug toen het Geallieerde Noordelijke Leger onder Bernadotte
Nederland binnentrok, voorafgegaan door een voorhoede van kozakken. De
bevolking kwam in opstand en er werd een voorlopige regering aangesteld.
Men ijverde voor de terugkeer van de Oranjes. Op 28 november 1813 trok
Generaal Molitor zich terug in Gorinchem. Op 29 november landden de
eerste Britse troepen in Scheveningen, te weten 200 Royal Marines.
En op 30 november keerde in Scheveningen de Prins van Oranje terug, die
de titel van ‘Souverein Vorst‘ aanneemt.
Met de Bevrijdingsoorlog op handen werden verschillende
eenheden opgericht voor het vormen van een nieuw leger dat kan helpen de
Fransen te verdrijven. Op 23 november 1813 werd J.E. Phaff (1751-1823)
benoemd tot Kolonel van het door hem op te richten regiment infanterie.
Phaff was voor 1795 Luitenant-kolonel in het Staatse Leger. Zodra de
omwenteling begon had hij de overheid in Rotterdam, later het algemeen
bestuur, aangeboden op eigen kosten een regiment op te richten. Dezen
hadden zijn aanbod in eerste instantie afgewezen. De Prins van Oranje
nam uiteindelijk zijn aanbod aan. De bedoeling was dat het regiment uit
meerdere bataljons zou bestaan. Hij verkocht zijn effecten (met verlies)
en met de opbrengst, ruim 20.000 gulden, richtte hij 4 wervingsbureaus
op. De werving van rekruten verliep voorspoedig: binnen 13 dagen hadden
zich 388 rekruten gemeld. Na 3 weken marcheerde het eerste bataljon,
ong. 400 man, voor haar vuurdoop naar Breda.
Afstamming
en voortzetting
Het Staatse Leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden eindigde,
na reorganisaties ten gevolge van de Bataafse Omwenteling (1795) en de
stichting van het Koninkrijk Holland (1806-1810) zijn zelfstandig
bestaan toen het bij de inlijving van Nederland bij het Franse
keizerrijk in Napoleons ‘Grande Armée’ werd opgenomen. De van oorsprong
Hollandse regimenten werden uiteindelijk in 1814 officieel ontbonden.
Daarmee eindigden de tradities van de oude Nederlandse regimenten. De
eenheden die in 1813-1814 zijn opgericht zijn geen voortzetting van de
oude Staatse regimenten. De Koninklijke Landmacht beschouwt deze
eenheden echter wel als voortzetting van de overeenkomstige eenheden:
bij Koninklijk Besluit d.d. 12 maart 1977 (nr. 101; ministeriële
beschikking d.d. 4 augustus 1977, nr. 10746/A; Landmachtorder nr.
77023) is vastgelegd dat het Bataljon Infanterie van Linie nr. 2 (BI2),
vanaf 1816 2e Afdeeling Infanterie, vanaf 1841 2e
Regiment Infanterie (2 RI) de opvolger is van het in 1805 gevormde
Regiment Infanterie nr. 2 van de Bataafsche republiek, welke als RI 2
gedurende het Koninkrijk Holland, en na de inlijving als het 124ème
Régiment Infanterie de Ligne heeft bestaan.
In dat geval begint de afstamming van de eenheid bij de
oprichting van het Regiment van Lambert Charles op 18 november 1602. Dit
stamonderdeel vocht in in de Slag bij Seneffe (11 augustus 1674) onder
Willem Adriaan Graaf van Hoorne. Verschillende stamonderdelen vochten
gedurende de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) in de slagen bij
Ramillies (23 mei 1706), Oudenaarde (11 juli 1708) en Malplaquet (11
september 1709). Het oudste stamonderdeel heeft gedurende deze periode,
van 1699 tot 1711, gediend als mariniers onder kolonel Philippe Claude
Touroud de St.-Amant. Over de rest van de 18e eeuw is verder
weinig bekend. In 1795 worden de Staatse regimenten gereorganiseerd in
Halve Brigades; 2Bat/1HB en 3Bat/1HB, en 1Bat/2HB streden in 1799 onder
Luitenant-genraal W.H. Daendels tegen de Russen en Britten in
Noord-Holland; in 1803 werden deze bataljons omgenummerd tot BI2, BI3 en
BI4, welke in 1805 weer zouden worden samengevoegd tot RI2. Het regiment
hield dit nummer gedurende de periode van het Koninkrijk Holland, totdat
het regiment na de inlijving van het koninkrijk bij het Keizerrijk
Frankrijk in de lijn werd opgenomen als het 124ème Régiment Infanterie
de Ligne; 1Bat/RI2 vocht in Spanje en werd eerst het 123RI, later 130RI.
124RI vocht in Rusland in o.m. de Slag bij Polotsk (18 augustus 1812);
de latere commandant van BI2 gedurende de Waterloo-campagne, Johannes
Speelman, diende in dit regiment, evenals zijn broer Adrianus, die bij
Polotsk dodelijk gewond raakte nadat hij de ‘aigle’ van het regiment had
overgenomen van een gesneuvelde vaandrig. Al deze wapenfeiten spelen
overigens geen rol in de traditiehandhaving van het Regiment Limburgse
Jagers.
Het Regiment Van Phaff werd opgericht 23 november 1813 door de
gelijknamige kolonel. Na de officiële oprichting van de Koninklijke
Landmacht op 9 januari 1814 wordt het regiment gereorganiseerd en
genummerd tot BI2. Na de Waterloo-campagne werd het BI2 samengevoegd met
de Bataljons Nationale Militie nrs. 16, 17 en 18 tot de 2e
Afdeeling Infanterie, onder bevel van Kolonel J. Speelman. In 1841
werden de Afdeelingen omgezet in Regimenten.
Het 2 RI werd uiteindelijk opgeheven op 1 juli 1950,
samen met 6 RI en 11 RI; de tradities van deze regimenten zouden worden
voortgezet door het op dezelfde dag opgerichte Regiment Limburgse Jagers
(RLJ; Koninklijk Besluit d.d. 1 juli 1950, nr. 27). Door voortzetting
van de tradities van 6 en 11 RI is RLJ ook een afstammeling van een
aantal andere stamonderdelen die gevochten hebben in de
Waterloo-campagne, te weten BI7, BJ36, BNM8 en BNM17.
II.
Krijgsverrichtingen
In
dit gedeelte zal alleen het optreden van het bataljon gedurende de
Bevrijdingsoorlog en de Waterloo-campagne worden behandeld.
Het beleg van
Breda
De Fransen trokken zich in november en december 1813 meer en meer terug
uit Nederland, met achterlating van garnizoenen in enkele grote
vestingsteden. Het garnizoen van Breda werd in eerste instantie wel
versterkt, zij het met eenheden mariniers en Nationale Garde. De
voorhoede van de Russische troepen, onder leiding van Generaal-majoor
Staal, was echter onderweg om Breda in te nemen. Generaal-majoor Staal
verzocht een notaris uit Werkendam, de heer B.A. de Jong, het gerucht
te verspreiden dat een enorme legermacht onderweg was om Breda te
belegeren, voorafgegaan door tenminste 3.000 kozakken. De Jong werd
aangehouden op 9 december, met de bedoeling dat hij het nieuws niet zou
rondbazuinen, maar op 10 december werd om 6.00 uur ’s ochtends zijn
bewaker weggeroepen. Samen met een zekere heer J.J. Sassen uit Den
Bosch, die schijnbaar ook was aangehouden, ontdekte hij dat om 8:00 uur
de laatste Franse soldaat Breda had verlaten en de poort letterlijk
achter zich op slot had gedaan. Aangezien de bevolking huiverig was om
de poort open te breken deden beide heren dit. De Jong haastte zich naar
Generaal-majoor Staal, en de eerste patrouille arriveerde om 9:30 uur in
Breda. Om 11:00 uur trok de Jong, samen met Generaal-majoor Staal en de
voorhoede van de Russische troepen triomfantelijk Breda binnen. Op 12
december werden de sleutels van de stad aangeboden aan de Prins van
Oranje, die tot Souverein Vorst der Nederlanden was uitgeroepen. Op
dezelfde dag werd een Bataljon Schutterij gevormd van 500 man.
De Fransen zaten echter niet stil. Onder leiding
van de generaals Roguet en Lefebvre-Desnouettes was een legermacht
verzameld van ong. 10.000 man en 30 stukken geschut, die inmiddels de
tegenaanval hadden ingezet; het volgende doel was Breda wederom op de
Russen te veroveren. De Russen werden voor hen uitgejaagd en trokken
zich terug binnen de vesting. Het garnizoen bedroeg zo’n 3.000 man.
Inderhaast werd door de provisionele regering elke beschikbare eenheid
van het pas opgerichte Nederlandse leger naar Breda gestuurd. Op 15
december werd vanuit Delft een compagnie kustkanonniers met geschut
gestuurd; uit Willemstad werd meer geschut gestuurd dat zopas op de
Fransen was veroverd. Het enige beschikbare Nederlandse
infanteriebataljon dat kon worden gestuurd was een bataljon van het
Regiment Van Phaff, dat 3 weken eerder was opgericht. Gekleed en
bewapend vertrok het bataljon, bestaande uit 4 compagnieën, onder
leiding van de majoor Rost van Tonningen naar Breda (Kolonel Phaff zelf
was te ziek om mee te gaan). Het vertrek was zo gehaast dat er geen
patronen waren meegenomen. Van de 400 man van het bataljon waren er maar
180 die enige gevechtservaring hadden.
Uiteindelijk groeide gedurende het beleg het garnizoen
uit zo’n 3.500 man en 12 stukken geschut, samengesteld uit Russische,
Pruisische en Nederlandse troepen. De stemming was goed: een Franse
gezant die de vesting kwam opeisen werd afgewezen. In de ochtend openden
de Fransen de aanval op de Antwerpsche Poort, welke verdedigd werd door
250 Russische Jagers. Die middag arriveerde Majoor Rost van Tonningen
met zijn bataljon; onmiddellijk werd deze ingezet bij de Antwerpsche
Poort die zwaar onder vuur lag. Toen de gevechten afnamen werd begonnen
met het versterken van de posities rond de poort. Pruisen, Russen en
Nederlanders, burgers en soldaten, werkten diep in de nacht door om de
geschutsstelling gereed te maken. Na een nacht hard werken, bemoeilijkt
door de onervarenheid van de burgers en troepen, en de taalproblemen,
stonden de 12 stukken geschut in stelling.
Op 21
december begonnen de Fransen om 13:30 uur met hun bombardement van de
stad. De beschieting werd beantwoord met het geschutsvuur vanuit de stad
en had als resultaat dat enkele Franse kanonnen buiten werking werden
gesteld. De Fransen openden de aanval op de Waterpoort, dat niet door
het geschut werd gedekt. Toen de aanval werd ontdekt werden het bataljon
van Phaff en de zopas georganiseerde schutterij daarheen gestuurd. Daar
hebben beide eenheden zich flink verweerd en de aanval afgeslagen. In
dit gevecht hebben zich bijzonder onderscheiden de luitenant Finkler,
die ondanks zijn schotwond aan de arm bleef doorvechten met zijn
manschappen, en de sergeant J.T. Kouwenberg, die alleen tegen 4 Fransen
vocht, 3 van hen neervelde de 4e gevangen nam. Beiden werden
op voordracht van Kolonel Phaff bevorderd wegens hun gedrag, Finkler tot
Kapitein, Kouwenberg tot 2e Luitenant. Bovendien werd Finkler
aan Tsaar Alexander voorgedragen voor een ridderorde door Generaal
Benckendorff. Ook de manschappen werden beloond: op 21 januari 1814 werd
een machtiging verleend om als gratificatie 5 dagen soldij uit te
betalen aan 21 sergeanten, 29 korporaals en 84 soldaten van het Bataljon
Infanterie van Linie nr. 2, voor hun gedrag tijdens de actie. Kolonel
Phaff schreef op 24 december 1813 aan de commissaris-generaal van
Oorlog:
“Lofwaardig
hebben zij zich gedragen, zulks is de algemeene stem, en de Russische
Generaal Benckendorff is er ten uiterste van voldaan.”
De Pruisische majoor Von Colomb zou later in zijn memoires schrijven:
“Von die Holländer kam das Beste.” Na de gevechten trokken de
Fransen zich terug en gaven ze de belegering van Breda op. Na enkele
benauwde dagen konden de burgers weer opgelucht adem halen en werd zelfs
de verjaardag van Tsaar Alexander op 24 december gevierd. Er bleef
echter voldoende te doen, want de Fransen hadden de verdediging van de
stad flink verwaarloosd in de voorgaande jaren, en men zette iedereen
aan het werk om de vesting weer in goede staat te krijgen. Dit hield
zelfs in dat er in januari 1814 geen burgers beschikbaar waren voor
dienst in de Landstorm. Intussen werden meer Nederlandse troepen haastig
naar Breda gestuurd, en werd Breda een doorvoer voor Pruisische,
Russische en Britse troepen. Het bataljon van Phaff’s regiment werd op
23 december aangevuld met 80 deserteurs uit Franse dienst.
Het beleg
van Naarden
Op 17 november 1813 was men begonnen met het insluiten van de vesting
Naarden; de enige beschikbare troepen die men daarvoor had waren 4
bataljons Nationale Garde van Amsterdam, een 5e bataljon
vrijwilligers en enkel kleinere vrijwillige eenheden. In de loop van de
tijd sloten zich hier meer eenheden bij aan. Het kleine observatiekorps
werd ondersteund door de Landstorm, die met de dag in getalssterkte
toenam tot 1.200 man eind december. Generaal Kraijenhoff werd op 24
november aangesteld tot gouverneur van Amsterdam, en als zodanig was hij
belast met de verdediging van dit gebied. Met de beperkte eenheden die
hij tot zijn beschikking had wist hij Muiden en Weesp te zuiveren van
Franse troepen, en kon de belegering van Naarden beginnen.
Zijn tegenstander was Generaal Baron Quetard de la Porte,
die het bevel voerde over een samengesteld garnizoen van ongeveer 2.250
man. Op 17 november, dezelfde dag dat in Amsterdam een Nederlands
bestuur werd ingesteld en de omwenteling in feite begon, verklaarde Gen.
Quetard de la Porte in staat van beleg. De bevolking werd geprest om mee
te helpen met het weerbaar maken van de vesting tegen aanvallen van
buitenaf. Veel had hij niet te vrezen, want de gebrekkige troepen die
Gen. Kraijenhoff tot zijn beschikking had waren niet in staat om een
aanval op de vesting uit te voeren. Daarom had de belegering van de
Nederlandse troepen een meer verdedigend karakter. De Fransen
daarentegen deden tussen 8 december 1813 en 15 maart 1814 maar liefst 26
uitbraakpogingen. Deze uitvallen waren met name bedoeld om zoveel
mogelijk proviand te veroveren en in de vesting te brengen. Ook diende
het om de compagnie pontonniers de gelegenheid te geven het voorterrein
te ontruimen, wat door de belegeraars ernstig bemoeilijkt werd. De
zwaarste verliezen die de Fransen leden werden veroorzaakt door
desertie; het overgrote deel van het garnizoen bestond uit Nederlandse
soldaten van de Nat.Garde en soldaten van Texel, en Pruisen van het 4e
Bataljon, 4ème Regiment Étrangers, die elke mogelijkheid aangrepen om te
deserteren.
Al snel bleek dat Gen. Quetard onder geen beding de
vesting zou overgeven. Vanaf 10 januari werden alle mannen van 18-60
jaar ter beschikking gesteld van de Kolonel der Genie Daulle, de
ondercommandant van de vesting, om mee te werken aan het uitijzen der
grachten. Om de belegering kracht bij te zetten werd Naarden vanaf 19
januari gebombardeerd, eerst nog onregelmatig, maar vanaf 14 februari
dagelijks van ’s avonds 10 uur tot ’s nachts 4 uur. De bombardementen
eisten niet veel slachtoffers, maar richtten zeer veel schade aan. Het
artilleriepark waarover Gen. Kraijenhoff kon beschikken groeide echter
gestaag naarmate er meer geschut aangevoerd werd. Al met al nam de druk
toe. Ook werden vanaf 24 februari holle granaten, beschilderd met Franse
en Nederlandse teksten en gevuld met pamfletten de stad in geschoten.

Schilderij: Pieter Gerardus
van Os. De halve maan voor Naarden
bij het beleg, april 1814
SK-A-1103. Copyright © Rijksmuseum
Amsterdam
De halve maan voor Naarden
bij het beleg, april 1814. De aankomst van soldaten en kanonnen van de
Nationale Garde van Amsterdam op de schans (in de vorm van een lunet of
halve maan) buiten Naarden. P.G. van Os was kapitein van een eenheid
Landstorm uit het kanton Loosdrecht, en heeft meerdere schilderijen en
prenten van de belegering gemaakt. Dat hij een voorliefde had voor de
kunst boven het krijgsgeweld blijkt uit het verslag van J.G. Matthes uit
Haringcarspel, die beschrijft dat van Os en zijn eenheid “geen duit
presteerden”. Niettemin berichtte Kol. Van den Bosch “dat hij
onafgebroken bewijzen gaf van bereidwilligheid tot alles wat slechts
eenigzins den lande dienstbaar was”.
De op het
schilderij zichtbare militairen zijn gekleed in bruine en donkerblauwe
overjassen; het betreft soldaten van de Nationale Garde, ter herkennen
aan de sjako’s met witmetalen sjakoplaten waarvan ze de adelaars hebben
afgebroken. Enkelen dragen sjako-overtrekken van zwart wasdoek. Ook zijn
er officieren te zien die al een oranje sjerp dragen. Aan overjassen was
eerst een tekort, zodat de soldaten de strenge winter moesten trotseren
in hun rokken. Ook was er eind december aan verschillende eenheden geen
soldij meer uitbetaald. Niettemin was de stemming onder de belegeraars
goed.

De Kazematten voor Naarden-1814
Het Beschieten van Naarden- april Het
doorijzen van der Karnemelksloot bij Naarden-jan.1814
Doordat de Nederlandse troepen steeds beter georganiseerd werden, werd
het voor de Fransen steeds lastiger om te fourageren buiten de vesting.
Er begon langzaam maar zeker een gebrek te ontstaan aan levensmiddelen.
In januari had het garnizoen en de bevolking in Naarden een tekort aan
koffie, thee, zeep, olie, kaarsen, gort, erwten, bonen, tabak, jenever,
schoeisel en linnen. Vanaf 1 februari werd er strikt gerantsoeneerd, wat
onder de soldaten tot een levendige woekerhandel in jenever leidde. Tot
tweemaal toe werden burgers uit de vesting gezet die niet over voldoende
levensmiddelen voor 6 maanden beschikten, wat de druk deed afnemen. Om
te voorkomen dat de honger hem zou dwingen de vesting over te geven
besloot Gen. Quetard om de manschappen van de Nationale Garde en van de
eenheid van Texel op 3 maart de vesting uit te zetten. Na een inspectie
vertrokken 250 man met achterlating van hun rokken en sjako’s, de
volgende dag vertrokken nog eens 120 man die eerst nog wachtdienst
hadden. Maar diezelfde dag raakte de voorraad brandstoffen uitgeput,
zodat bij de burgers voor veel geld turf en brandhout gekocht moest
worden.
Verschillende keren werden onderhandelingspogingen
ondernomen: de eerste keer, op 6 december, werden de gezanten simpelweg
afgewezen. Op 17 januari vertoonde zich een afvaardiging bij de
Amsterdamsche Poort, die echter door enkele douanen onder vuur werd
genomen. 2 dagen later probeerde men het nog eens, maar een uur na hun
vertrek begonnen de Fransen met een beschieting vanuit de vesting. Op 10
en 26 februari werden de onderhandelaars al onder vuur genomen voordat
ze de vesting goed en wel genaderd waren. Maar op 5 april, na een
verschrikkelijk bombardement, liet Gen. Quetard de gezanten toe. De
eerste besprekingen leidden niet tot een overeenstemming, evenals de
onderhandelingen de volgende dag. Op 8 april verscheen met de
Nederlandse gezanten een Frans officier, generaal Rostollant, die de
boodschap bracht dat over 14 dagen er een algehele vrede zou zijn. Gen.
Quetard gaf echter nog steeds niet toe. Pogingen op 15 en 16 april en 2
en 4 mei bleven zonder resultaat. Op 5 mei echter verscheen een nieuwe
parlementair, een Frans hoofdofficier der Artillerie genaamd Lude.
Namens de nieuwe Franse regering bracht hij de order om de vesting te
ontruimen. De Raad van Defensie werd ogenblikkelijk bijeengeroepen om de
overhandigde stukken te onderzoeken. Op 7 mei werd bevestigd dat
Admiraal Ver Huel de stelling Den Helder had ontruimd en zijn troepen op
doortocht waren door Haarlem. De Raad van Defensie te Naarden erkende
Lodewijk XVIII als Koning van Frankrijk en besloot tot capitulatie van
de vesting. De Franse driekleur werd gestreken en vervangen door een
witte vlag, begeleid door 21 saluutschoten. De aanwezige 2 compagnieën
kustkanonniers vervingen meteen hun rood-wit-blauwe kokardes door oranje
exemplaren.
De bevolking werd verboden de Nederlandse vlag te
hijsen voordat de Nederlandse bezetting de vesting zou binnentrekken. 8
mei kwamen Gen. Kraijenhoff en zijn staf in de vesting aan om een
inventarisatie te maken. De zieken, veteranen, vrouwen en kinderen
werden met 5 schepen naar Antwerpen overgebracht. Het Franse garnizoen
dat op 12 mei de vesting verliet was sterk 60 officieren, 940
onderofficieren en minderen, 20 paarden, 2 houwitsers en een 12-ponder.
De bezetting verliet met alle krijgseer om 7 ’s ochtends de vesting en
defileerde voor de Nederlandse troepen die op de Bussumse Heide waren
opgesteld. De Franse troepen trokken over Amersfoort, Kuilenburg,
Heusden, Tilburg, Hoogstraten en Antwerpen naar Rijssel.
Om 9 uur trokken de Nederlandse troepen de vesting
binnen: aan het hoofd Kolonel Bosch, gevolgd door een detachement
cavalerie, een eenheid vrijwillige scherpschutters, BI2, BI3, 1Bat &
2Bat Nat.Garde Amsterdam, BI4, 3Bat & 4Bat Nat.Garde Amsterdam, BI13,
5Bat Nat.Garde Amsterdam, een eenheid artillerie en een detachement
cavalerie. De troepen werden met veel gejuich binnengehaald. Ze stelden
zich aan weerszijden van de straat op, waarna om 10 uur Gen. Kraijenhoff
zijn intocht deed, gesalueerd met 5 saluutschoten. Uiteindelijk werd op
het stadhuis, onder het gedonder van 21 saluutschoten, de Nederlandse
vlag gehesen.
Wat het bataljon van het regiment Van Phaff betreft: op
1 januari 1814 werd ze opgenomen in de nieuw opgerichte Staande Armée en
kreeg zij het nummer 2 toegewezen. Haar garnizoensplaats werd Delft. In
maart werden 75 man ingelijfd van een compagnie vrijwilligers uit Goes,
opgericht door de burgemeester van Goes, de heer Van der Spiegel. Op 18
april werden 3 compagnieën onder leiding van Maj. Rost van Tonningen
naar Naarden gestuurd, samen met het BI4 onder Lt.-kol Poolman, om zich
onder bevel van Gen. Kraijenhoff te stellen. Het BI2 heeft geen
prominente rol gespeeld in de belegering, maar het feit dat Nederlandse
troepen zelf de vesting hebben kunnen belegeren was veel belangrijker.
Het nieuwe bewind toonde de Geallieerden dat de Nederlanders zichzelf
wilden en konden helpen bevrijden.
Waterloo
In 1814 ging het bevel over het BI2 over op luitenant-kolonel J.
Speelman, een veteraan van de veldtocht in Rusland die in het 124ème RI
had gediend. Het bataljon was ingedeeld bij de 1e Brigade van
de 3e Nederlandse divisie, onder bevel van Lt.Gen H.G. Baron
Chassé. Gen.Maj. Detmers stond aan het hoofd van de 1e
Brigade. De Brigade omvat verder het Bataljon Jagers nr. 35 en vier
Bataljons Nationale Militie, nrs 4, 6, 17 en 19. De 2e
Brigade van Gen.maj. d’Aubremé, bestond uit BJ36, BI3, BI12, BI13, BNM3
en BNM10. Aan 3NL.Div was toegevoegd de Batterij Artillerie te Voet van
Kapitein J.H. Lux en de Batterij Rijdende Artillerie van Kapitein C.F.
Krahmer de Bichin. De 3e Nederlandse Divisie was onderdeel
van het I Corps onder leiding van de Prins van Oranje.
Begin
juni 1815 waren de voorbereidingen voor een invasie van Frankrijk nog in
volle gang. Op 14 juni kwamen de eerste berichten binnen over een op
handen zijnde Franse opmars. Chassé stuurde op 15 juni een bericht dat
de avond daarvoor een Nederlandse cavaleriepatrouille een Frans bericht
had onderschept waarin de Franse opmars werd aangekondigd. Dit werd
eerst niet al te serieus genomen. Op 15 juni echter maakten de Nassause
troepen van de 2Brig/2NL.Div. contact met de Fransen. De Hertog van
Wellington besloot om alle divisies naar Nivelles terug te trekken. In
afwezigheid van de Prins van Oranje echter besloot de Chef-staf van het
Nederlandse leger, Generaal De Constant-Rebecque, om de 2NL.Div. van Lt.gen.
H.G. baron de Perponcher Sedlnitsky bij Quatre-Bras te concentreren,
wetende hoe belangrijk dit kruispunt is; de orders van Wellington had
hij, zo verklaarde hij later, “niet op tijd ontvangen”. Lt.gen. De
Perponcher, Gen.maj. W.F. Graaf van Bijlandt (commandant van de
1Brig/2NL.Div) en Prins Bernhard van Saxe-Weimar namen het besluit om
Quatre-Bras te verdedigen. De 24-jarige Bernhard van Saxe-Weimar, die
pas de dag daarvoor als brigadecommandant was aangesteld over de
2Brig/2NL.Div., lichtte zijn officieren in met de woorden: “Ik heb geen
enkele order ontvangen, maar ik heb nog nooit gehoord dat men een
campagne begint door terug te trekken. Wij zullen dus standhouden bij
Quatre-Bras.”
Op 16 juni
vielen Franse troepen van Ney de Nederlandse troepen aan bij Quatre-Bras.
De 3NL.Div. werd naar de gevechten toe gedirigeerd maar maakte geen
gevechtscontact. De divisie kreeg die avond het bevel om naar Nivelles
te gaan. Op 17 juni marcheerde de divisie in de stromende regen richting
Brussel en nam het posities in op de rechterzijde van de Geallieerde
posities, eerst ook rond Hougoumont, maar ’s avonds uiteindelijk rond
het dorpje Braine l’Alleud. Hier zou Chassé met zijn divisie moeten
standhouden teneinde de rechterflank van de Geallieerden te dekken. Het
Geallieerde leger werd opgesteld langs de weg Nivelles-Ohain, met
voorposten in de hoeve Hougoumont (Britse Garde), de hoeve La Haye
Sainte (KGL) en de sector rond Papelotte, la Haie, Smohain en
Frischermont (2Brig/2NL.Div). 2Brig/3NL.Div stond achter Braine l’Alleud
opgesteld op moerassig terrein dat gedekt werd door heggen en bossages;
de beide flankcompagnieën van BJ36 werden verspreid om elke opening in
de heggen te dekken. Dit gebeurde in het zicht van vijandelijke
patrouilles. 1Brig/3NL.Div stond als volgt opgesteld: 3 bataljons voor
het dorp (met een tirailleurslinie uitgezonden voor het front), 2
bataljons in reserve op het dorpsplein, en 1 bataljon ten oosten van het
dorp om contact te houden met het Geallieerde leger. Een groot gedeelte
van de manschappen bleef lange tijd buiten de gevechten. In
tegenstelling tot wat lange tijd is gedacht was het niet mogelijk
voorraden te verkrijgen van de lokale bevolking; de burgers waren
huiverig voor de vele soldaten en onzeker over wat ze die dag te wachten
stond. Enkele soldaten begonnen de huizen te plunderen. Tegen de
plunderaars werd echter hard en bloedig opgetreden: ze werden onder vuur
genomen en bestormd. Veel plunderaars werden gedood of gewond. Daarna
was de orde weer hersteld.
Teneinde de
Franse patrouilles beter in de gaten te kunnen houden liet Chassé een
bataljon van 2Brig een vlakbij gelegen bos bezetten. Tijdens
schermutselingen met de Franse lichte cavalerie waren enkele flankeurs
van BJ36 gevangen genomen. Chassé beschikte niet over cavalerie en hij
bleef zeer beducht voor een mogelijke aanval. Het dorp werd
gebarricadeerd. De chef-staf, Maj.gen. J.V. baron de Constant Rebecque,
kwam 3NL.Div. inspecteren en gaf orders om Braine l’Alleud kostte wat
kost te verdedigen. Maar voor de slag begon realiseerde Wellington zich
dat het Franse leger zich juist opstelde voor La Haye Sainte en zijn
linkervleugel. 3NL.Div. kreeg de order om op te trekken en een positie
dichter bij de 2e Britse Divisie in te nemen. De manschappen
beseften dat ook zij wel eens in de gevechten betrokken konden worden en
begonnen zich voor te bereiden. De divisie trok om ongeveer 11:00 uur op
in carré’s en nam eerst een positie in buiten het dorp, waar men een
uitstekend overzicht had van de gevechten die inmiddels waren begonnen.
Hier verloor 1Brig bijna haar commandant: een Franse kanonskogel sloeg
in de grond vlak voor het paard van Detmers; het paard steigerde, maar
hij gaf geen krimp en wist het paard tot bedaren te krijgen.
De Geallieerde linie had veel te lijden onder de aanhoudende Franse
aanvallen; keer op keer ondernamen de Fransen kostbare
cavalerieaanvallen op de Britse en Hannoverse carré’s, terwijl de Britse
Garde zich met de moed der wanhoop verzette tegen de herhaalde aanvallen
op Hougoumont. In het centrum werd na bittere gevechten La Haye Sainte
ingenomen. Rond Plancenoit, op de Franse rechtervleugel, werden in de
loop van de middag de eerste Pruisische troepen gesignaleerd. Napoleon
moest nu zijn Jonge Garde inzetten om de Pruisen zo lang mogelijk op
afstand te houden teneinde tijd genoeg over te houden om de Geallieerden
voor zich te verslaan. rond 15:00 uur een positie in ten noorden van
Hougoumont. 1Brig werd in linie opgesteld achter en langs de weg, van
west naar oost BJ35, BI2, BNM4, BNM6, BNM19 en BNM17; 2Brig stond rechts
daarvan in 2 colonnes van sectiën (rechtercolonne BJ36, BI3 en BI12,
linkercolonne BI13, BNM3 en BNM10). De divisie werd door de Franse
artillerie onder vuur genomen en vervolgens aangevallen door Franse
cavalerie, waarop carré’s werden gevormd om de aanvallen af te slaan. De
eerste linie had vele te lijden van het Franse vuur. De divisie bleef zo
tot 18:00 uur staan, telkens wisselend van positie en formatie, waarbij
de veteranen de grootste moeite deden om de jongere soldaten in het
gelid te houden. Een opmerkelijk incident was dat een Franse officier
der kurassiers overliep naar de Geallieerden; hij meldde zich om 17:00
uur bij lt.kol Van Thielen (BNM6) en verzocht om Wellington te spreken.
In een
laatste poging de Geallieerde linies te doorbreken stuurde Napoleon zijn
laatste reserve, de regimenten Grenadiers en Chasseurs van de Oude- en
Midden-Garde. De Franse colonnes marcheerden het plateau op, waarbij ze
door de Geallieerde infanterie en artillerie onder vuur werden genomen.
Ondanks de zware beschieting door de Guards Brigade van Maitland bleven
de Fransen langzaam maar zeker oprukken. Een aantal Britse eenheden, die
de hele dag onder vuur hadden gelegen, sloegen op de vlucht. Tussen
5Brig/3Br.Div. van Maj.gen. Halkett en het Brunswijkse contingent op de
rechtervleugel was nu een opening ontstaan; en de Britse artillerie
raakte door hun munitie heen. Op deze zwakke plek had de Franse Garde
het voorzien. Een Britse Aide-de-Camp snelde naar Gen.maj. Detmers met
het dringende verzoek om drie bataljons in de voorste linie op te
stellen. Detmers liet BJ35, BI2 en BNM4 in colonne van sectiën oprukken.
Chassé liet de overige bataljons volgen; de gehele brigade stond nu
opgesteld achter de geallieerde linie. Chassé sprak zijn mannen toe:
“[…] jullie zullen de tweede linie verlaten en vooruitgaan naar de
voorste, blijf kalm, vertrouw op mijn leiderschap en vooral op jullie
officieren. De slag is nog niet beslist, maar het zal jullie veel
voldoening geven om aan de beslissing te hebben bijgedragen.” Chassé
liet elk bataljon van 1Brig. een colonne van sectiën formeren en nam een
positie in aan het hoofd van BNM6. De Batt.RA van Kapt. Krahmer de
Bichin reed vooruit, nam een positie in naast de Britse artillerie en
joeg een moordend kartetsvuur door de Franse gelederen. De divisie ging
voorwaarts, de garde tegemoet. Wat volgde was een vuurgevecht, waarbij
beide zijden enkele salvo’s losten; de Nederlandse en Belgische soldaten
waren geprikkeld dat ze er niet op af mochten gaan met de bajonet om de
vijand te verdrijven. De Fransen besloten zich terug te trekken en te
hergroeperen, ten westen van La Haye Sainte.
Opnieuw ging
de Franse Garde vervolgens ten aanval. Dit keer besloot Chassé om de
Fransen met de bajonet te verdrijven; hij trok zijn degen en riep:
“Voorwaarts generaal Detmers en val aan met de bajonet!” De Rijdende
Artillerie snelde wederom voorwaarts en opende het vuur, waarbij ze de
oprukkende colonnes veel schade toebrachten. De infanteristen stormden
voorwaarts, wild enthousiast, sommigen met de sjako’s op de bajonet,
onder het geroffel van de trommen en de roep: “Leve de Koning! Oranje
boven!” De bataljons waren (hoogstwaarschijnlijk) in 6 colonnes naast
elkaar opgesteld, en beukten op de bataljons van de Midden-Garde; de
Franse soldaten van 1/3eme Gren.GI en 4eme Gren.GI, die zo zwaar onder
vuur hadden gelegen en dachten de vijand eindelijk te hebben verslagen,
bezweken onder de druk van de duizenden ‘verse’ troepen, en sloegen op
de vlucht; sommigen gooiden hun berenmutsen en ransels weg. In de
boomgaard van La Haye Sainte probeerden de Gardegrenadiers nog een
defensieve positie in te nemen.
De troepen
van Detmers achtervolgden de vijand tot voorbij Hougoumont. 1Brig
verdreef in een verwoede aanval de Fransen uit de boomgaard van La Haye
Sainte. BI2 kwam in gevecht met een eenheid Garde Grenadiers. Een aanval
van zo’n 300 Franse kurassiers werd afgeslagen door 50 flankeurs van
BNM19 onder leiding van Kapitein De Haan. Uiteindelijk passeerden de
bataljons de straatweg naar Brussel en ze de “Grande Batterie”,
passeerden de kanonnen en de munitiewagens en bleven de Fransen
achtervolgen tot voorbij deze positie. Chassé sprak lt.Kol Speelman toe:
“Kolonel Speelman, voorwaarts! Haast u, val aan met de bajonet, de
Fransen wankelen, ze vallen terug!”
Het BI2 ging in de aanval, vooraf gegaan door de Rechterflankcompagnie,
met aan het hoofd Luitenant Morre en 2e Luitenant Van
Burmania Rengers.
Een kwartier
nadat 1Brig/3NL.Div de aanval had geopend en de Fransen achtervolgde gaf
Wellington het signaal voor de algehele opmars van het Geallieerde
leger. Toen de Garde op de vlucht sloeg, en de Pruisen doorbraken op de
Franse rechtervleugel, stortte het Franse leger in. Napoleon vluchtte
onder dekking van het 1er Grenadiers van de Garde, terwijl de Franse
soldaten met duizenden in paniek maakten dat ze wegkwamen. De
Nederlandse en Geallieerde troepen bleven hen achtervolgen tot de avond
viel, daarna gingen de Pruisen tot de achtervolging over. Alle
Nederlandse eenheden bleven overnachten op het slagveld.
De aanval van
1Brig/3NL.Div was een kostbare geweest: het overweldigende succes was
ten koste gegaan van grote verliezen. BI2 verliest 19% van haar
officieren en minderen; de andere verliezen zijn: BJ35 - 12%, BNM4 –
14%, BNM6 – 8%, BNM17 - 11%, BNM19 – 17% (totaal 1Brig/3NL.Div = 13%).
Na de slag marcheerde BI2 Frankrijk binnen. Parijs werd bezet en
Napoleon werd verbannen naar Sint Helena. In 1816 keerde BI2 terug in
Nederland; daar werd ze samengevoegd met BNM16, BNM17 en BNM18 tot de 2e
Afdeeling Infanterie, onder bevel van Kolonel J. Speelman.
|